Blogs Persoonlijk

Ik schrijf over mijn leven om je een inkijkje te geven. Wie weet heb je er iets aan (dat zou geweldig zijn). Niet dat ik een enorm meeslepend en groots leven leidt, maar juist ook 'gewone' levens kunnen inspirerend zijn. De alledaagse en minder alledaagse dingen die ik meemaak lees je dus hier. 

Those little things in life mean the world  Een topdag in coronacrisis, kan dat? Voor mij persoonlijk wel. Gisteren was zo’n dag. Het begon al heuglijk omdat onze hond dertien werd. Toen mijn man twee jaar geleden stierf, was ook onze hond zo ontdaan, dat ik niet verwachtte dat hij nog veel langer zou leven. Toch heeft hij het volgehouden, en ondanks enkele mankementen die bij een heer op leeftijd horen, gaat het goed met ‘m. Mijn jongste zoon haalde een feesthoed uit de kast en blies ballonnen op. “Want”, zo zei hij, “we moeten er toch maar een feestje van maken, dit is waarschijnlijk zijn laatste verjaardag he mam.” 

Lente in rare tijden  Toen mijn oudste zoon die ochtend in de voortuin probeerde zijn overtollige energie op de trampoline kwijt te raken, ontdekte hij een bosje bloemen bij de voordeur. Een mooi voorjaarsboeketje van de ondernemersvereniging van het dorp met een kaartje; een beetje lente in rare tijden. Pas goed op elkaar. Hoe attent!  

Zingende loodgieter  Terwijl ik een vaas met water vulde, viel de stroom uit. Na wat geklungel in de meterkast en een gevecht met de sjoelbak die daar opgeborgen staat (waarom vond ik dat een goede plek voor een sjoelbak in vredesnaam???), zag ik dat de aardlekschakelaar er continu uitschoot. Ik trok alle stekkers uit apparaten stopte ze er een voor een weer in. Conclusie: het lag aan de cv ketel. Oh nee! Niet nu! In deze voor mij barre economische tijden als zzp’er met lege agenda, zat ik niet te wachten op de aanschaf van een nieuwe ketel. Ik belde de lokale loodgieter, een man op leeftijd. Even later stond hij, zingend en wel op zijn vrije zaterdag, in mijn oergezellige ketelkast. Ik bleef op gepaste corona-afstand. Het bleek een plug te zijn die vervangen moest worden. Fijn nieuws, en o zo fijn dat ik in een klein dorp woon waar mensen voor elkaar klaar staan.

Onsje kipfilet en tomaten bruschetta  Vrienden stonden later in de ochtend onverwachts op de stoep met een onsje kipfilet. Een verjaardagscadeautje voor de hond! We wandelden even buiten met de jarige viervoeter, die zijn lippen genoeglijk aflikte van zoveel lekkers, en zwaaiden hen daarna weer uit. Einde van de middag belde m’n buurman aan. Met stofmasker voor bracht hij een bordje met huisgemaakte bruschettas. Heerlijk die humor. En heerlijk die hapjes!

Hart onder de riem  Begin avond had ik een sporadisch momentje voor mezelf en las mijn binnengekomen e-mails. Een daarvan was van Stichting Bretels, een Haarlemse organisatie die activiteiten organiseert voor weduwen, weduwnaars en hun kinderen, en die ons al twee jaar lang liefdevol steunen. Een mooie afsluiter van deze dag waarop zovelen mij een hart onder de riem staken. Want ook deze vrijwilligers boden hulp in de vorm van videoverbindingen met de kinderen of met mij. Omdat ze maar al te goed snappen dat de combinatie van coronacrisis, rouw en alleenstaande moeder zijn een hell of a job is.

Hulde aan jullie  Lang leve de mensheid, die laat zien in zware tijden zo goed te zijn. Want naast negativiteit zie ik zoveel positiefs in haar. En voor mij geldt dat niet alleen deze zaterdag; hulp en liefde ontvang ik zo vaak van familie, vrienden en kennissen. Hulde aan iedereen die zich inzet voor elkaar, op wat voor schaal dan ook.

Als er iets drastisch verandert in je leven, kunnen dingen waar je voorheen naar uitkeek, opeens een opgave worden. Bij mij was die ingrijpende verandering de dood van mijn partner. Waar ik eerst verlangde naar weekenden en vakanties, sla ik ze nu liever over. Fijne gezinsmomenten zijn veranderd in overlevingsstrategieën.

Ook dagelijkse kost, zoals het avondeten, is niet meer wat het was. Afgelopen weekend publiceerde Het Parool mijn artikel ‘Een bord minder’. Ik heb dat geschreven om de buitenwereld te laten ervaren dat de dood op alles impact heeft. Ook nog jaren later. En ik hoop dat mensen die het lezen en een compleet gezin hebben, zich gelukkig prijzen en koesteren wat ze hebben.

Moordende planning Net zoals het avondeten vind ik het weekend doorkomen en het verzinnen van een vakantie best pittig. Het weekend betekent voor mij nu nog efficiënter mijn tijd indelen. De kinderen hebben sportclubjes waar ze naar toe gebracht en weer opgehaald moeten worden, de hond moet uit (alweer), het eten moet gekookt (alweer), de wassen moeten gedraaid (alweer), de oppas moet ingepland want ik wil ook wel eens een avondje met een vriendin op stap in plaats van alleen (ja, alweer) op de bank te zitten. En o ja, ik moet nog een cadeautje kopen voor een familielid dat morgen jarig is.

Only the lonely Met vakanties plannen is het zoeken naar balans tussen wat mijn kinderen leuk vinden en waar ik zelf enigszins blij van word. Dat is niet van acht uur autorijden (te vermoeiend). Dat is niet van een gezinscamping (te confronterend en eenzaam). En tja, toch ook niet van een eenoudervakantie (te confronterend). Dat is niet van een all-in resort (te eenzaam). Dat is niet van een veraf gelegen huisje in de natuur (te eenzaam). Dat is niet van een lange vliegreis met jengelende kinderen (te vermoeiend). De meeste dingen zijn prima te doen als je geliefde naast je staat. Want met hem (of haar) kun je een gesprek voeren, heb je afleiding, gezelligheid en een extra paar handen.

Leven is liefde Is dit een klaagzang? Nee, dat is niet mijn intentie. In de afgelopen twee jaar gaat het omgaan met en verzinnen van avondeten, weekenden en vakanties me steeds beter af. En soms geniet ik daar dan oprecht van. Ik wil je, hoe cliché je dat misschien ook vindt, laten zien dat het leven niet maakbaar is. Dat liefde voor je partner, je kinderen en ook voor je medemens het hoogste doel is. Streef en leef dat na nu het kan. Het geeft je meer voldoening dat wat dan ook.

Fijn weekend! Overigens heb ik nog geen invulling bedacht voor aankomende zondag, dus mocht je zin hebben iets te ondernemen met mij en m’n kinderen laat het me gerust weten…

Met Kerstmis voor de deur denk ik terug aan een uitspraak van mijn jongste: “Wij zorgen voor elkaar.” Dat zei hij vrij snel na het overlijden van zijn vader. Hij was toen vijf jaar. 

Liefde verbindt Met ‘elkaar’ bedoelde hij mij en zijn twee jaar oudere broer. Ik vind dat een ongelooflijk wijze en mooie opmerking van hem. Als je vijf bent is de dood tenslotte een abstract gegeven. Dat is het voor mij zelfs nog. Wat precies de impact is van het overlijden van je vader is op zo’n leeftijd niet te overzien. Dat hij nooit meer met hem kon knuffelen, praten, lachen, stoeien of spelen besefte hij niet echt. Geen papa op het schoolplein om hem ooit nog op te halen. Om over de verdere toekomst van schoolkeuzes, relaties, eerste baan, eerste huis en misschien wel eerste keer zelf vader worden maar te zwijgen. Toch voelde hij blijkbaar aan dat liefde het allerbelangrijkste is. Liefde tussen de overgebleven gezinsleden is datgene wat hen verbindt, bij elkaar houdt en door de afschuwelijke pijn van gemis heen sleept.

Wisselwerking En zo is het gegaan de laatste twee jaar. Wij hebben voor elkaar gezorgd. En dat doen we nog steeds. Ik mag me in mijn handjes knijpen met mijn knulletjes. Die ik heus ook vaak achter het behang zou willen plakken, want brave hendriken zijn het allerminst. En kleine schobbejakken samen met een oververmoeide, rouwende moeder is geen fijne combinatie. Verre van zelfs. Toch worstelen wij ons er doorheen. Zij zien het als ik niet meer kan en geven me dan een schoudermassage. Of brengen me koffie op bed. Wat een toppers denk ik dan, en vergeet op slag hoe irritant ze soms zijn.

Rouwen moet mogen Op mijn beurt probeer ik hen zo goed mogelijk te steunen. Zo heb ik me op alle fronten verdiept in rouw bij kinderen. En ik ben continu op mijn hoede of er niet eentje verdrietig is en mij dat niet durft te laten zien. Ik maak de dood en mijn dode man bespreekbaar thuis. Zodat ze weten dat hun vader te allen tijde genoemd en herinnerd mag worden. Daarnaast bied ik de jongens gelegenheid tot creatieve therapie, contact met lotgenoten, het maken van herdenkingsmonumentjes en hebben ze inspraak in wat te doen op dagen als sterfdag en verjaardag van papa. Ik hoop daardoor dat de rouw hun over een aantal jaren niet te rauw op het dak valt, omdat ze het nu niet zouden mogen of kunnen uiten.

Wondverzorging Rouw is als een wond op je huid, hoorde ik laatst iemand zeggen. Als je die wond niet goed verzorgt en er geen aandacht aan schenkt, gaat hij ontsteken. Of erger, etteren. Dat gaat ons niet gebeuren, want wij zorgen voor elkaar. Ik hoop dat de woorden van mijn zoon een ieder die dit leest inspireert om voor elkaar te zorgen. Ook na de kerst.

Mijn kinderen zetten het liefst de hele dag door muziek op. Ik ben daardoor totaal vervreemd geraakt van ‘normale’ volwassen muziek en blèr mee met rappers als Snelle Jelle, Nasty en Josylvio of neurie op IJskoud van Nielson en Als het avond is van Freek & Suzan. Ja ik weet, de smaak is vrij breed!

Zonder dat mijn kinderen het beseffen blijven bepaalde lyrics dan door m’n hoofd spoken. Zoals ‘zeg me dat het goed komt, geef me stukjes toekomst’. Het is maar een zinnetje uit een soft lied, toch raakt het me. Want hoe vaak heb ik dat wel niet vurig gehoopt en gewenst. Dat iemand me zou zeggen dat het goed komt. Daar, op het moment dat mijn man in zeven weken tijd wegteerde in het ziekenhuis en niemand het aandurfde ons een toekomst te geven. Nu is het bijna twee jaar geleden dat hij is overleden. Ik weet dat het niet meer goed komt, toch wil ik dat het liefst ontkennen. De paradox van rouw, noemt Julia Samuel dat, van wie ik onlangs een lezing volgde. Ik hunker naar het verleden en leef er in voort, terwijl ik ook doorga met leven, mét mijn verdriet. Als iemand me nu zegt dat het goedkomt, en dat gebeurt geregeld, vast goed bedoeld, voel ik woede. Want hoe kan iemand voor mij bepalen dat het wel goed komt?! Dan dreunen de liedjes in mijn hoofd ‘het regent harder dan de grond aan kan’| ‘het is ijskoud’ | ‘ik strek mijn armen naar je uit, maar ik voel me zo alleen.’

Wanneer iemand van wie je houdt is gestorven, lijkt diegene juist extra aanwezig. Althans zo voelt dat voor mij. Toen mijn man nog in leven was, vond ik het vanzelfsprekend dat ik hem dagelijks zag, dus hoefde ik niet continu aan hem te denken. Sinds hij overleden is, ‘draag’ ik hem overal mee naar toe. Zelfs nu, 22 maanden na zijn dood. Vrijwel elk uur van de dag is hij bij me, als een fantasiefiguurtje uit een boek dat op mijn schouder zit. Dat is niet altijd prettig, maar vervelend vind ik het ook zeker niet. Ik praat tegen hem, vraag hem om raad of wijs hem op mooie dingen die onze kinderen doen. Soms wil ik die aanwezigheid ook ruiken. Dan open ik de kledingkast, waar al zijn kleding min of meer nog hetzelfde hangt als twee jaar geleden. Ik begraaf mijn gezicht dan in een van zijn truien en zo sta ik enkele minuten bij de kledingkast te ruiken, te genieten, te missen, te wanhopen en te huilen.

Sinds kort is die geur echter verdwenen. Als ik daar teveel over nadenk krijg ik een zenuwinzinking. Want die geur heb ik nodig. Net als het figuurtje op mijn schouder. Het geeft me net het beetje kracht om op mijn benen te kunnen blijven staan. Mijn kinderen doen gelijksoortige pogingen die vertrouwde lucht bij zich te houden. Zij spuiten hun vaders aftershave en eau de toilette, waarvan we gelukkig nog zo’n vijf verschillende flesjes hebben, op hun lijf en kleding. “Even een papaluchtje op doen,” zeggen ze dan.

Laatst las ik over een Française die een manier had ontwikkeld om parfum te maken van de lichaamsgeur van je dierbare, zodat je die na diens overlijden nog bij je kan dragen. Dat lijkt me wat ver gaan, zo’n flesje Death Perfume, toch snap ik de gedachtegang maar al te goed. Ik maak me enigszins zorgen over het moment waarop mijn kinderen de laatste druppel uit alle flacons hebben gespoten. Koop ik dan een zelfde nieuwe geur? Maar zoals mijn jongste zegt: “Dan is het toch niet echt meer een papageurtje”. Ja daar heeft hij gelijk in. Dat flesje is niet door mijn mans handen gegaan, is niet meegereisd in zijn toilettas op onze vakanties en heeft niet altijd op de bekende plek in het badkamerkastje gestaan. De geur verdwijnt, de herinnering blijft.

Heb jij een relatie? Die zo op het oog onschuldig klinkende vraag wordt me regelmatig gesteld. Wanneer ik op een feestje ben tijdens mijn sporadische rouwpauzes. Of in werk gerelateerde situaties wanneer ik er natuurlijk ook echt niet op zit te wachten. Het kan voor mij nogal een domper op een leuke middag of avond zijn. Want wat ik ook antwoord, het doet me pijn. Wat moet ik zeggen? ‘Ja ik heb een relatie, er is alleen een kleine bijkomstigheid, de persoon met wie ik een relatie heb is overleden.’ Of, ‘ik ben getrouwd, tot de dood ons heeft gescheiden.’ Maar dat voelt tegenstrijdig, want we zijn niet gescheiden. In het fysieke leven misschien, maar verder niet. En een simpel ‘nee’ krijg ik niet uit m’n strot. En ‘ik ben weduwe’ al helemaal niet.

Zoals mensen mij klakkeloos vragen naar mijn partner, zo vragen ze mijn kinderen naar hun vader. Zelfs als ik degene ben die contact opneem of er -als enige ouder- bij zit. De tandarts bijvoorbeeld, die zegt dat ze papa moeten vragen te helpen bij het tandenpoetsen, de oogarts die m’n zoon zegt met zijn vader te overleggen of hij nou wel of niet een bril voor in de klas moet nemen, en de organisator van een kinderpartijtje die doodleuk (excusez le mot) aangeeft dat ‘papa’ wel mee kan doen. Hallo mensen, ik, de moeder zit toch voor jullie neus?! Hoe geëmancipeerd en stereotiep zijn we nou helemaal! Standaard gaat men blijkbaar uit van kinderen met een vader en moeder. En die moeder alleen, nou die zal wel geen beslissingen durven nemen. Het arme mens. Heel vreemd dat we dat beeld nog hebben in deze tijd van echtscheidingen, zaaddonaties, lesbische ouderparen en zogenaamde emancipatie.

Ook als ik een restaurant in ga met mijn kinderen wordt me steevast gevraagd ‘tafel voor vier mevrouw?‘ Waar zien ze die vierde persoon toch? Blijkbaar oog ik als een über hetero traditionele getrouwde muts waar geen enkel ander scenario bij past. Ik heb wel eens overwogen een haarband in te doen, met tekstopdruk IK BEN WEDUWE. Omdat het misschien makkelijker is voor mezelf en gelijk duidelijk is voor anderen. Maar ach, dat roept waarschijnlijk weer heel andere vragen en blikken op waar ik geen raad mee weet. Dus blijf ik voorlopig laveren tussen negeren, ontwijkend gemompel of het botweg sissen: ‘mijn man is dood, je zult het met mij moeten doen’.

 

Het overkomt me nog regelmatig dat ik naar mijn telefoon grijp om mijn man te bellen of appen. En vooral tijdens deze vakantie, terwijl ik tussen de gezinnen op een natuurcamping zit, heb ik dat vaak. Ik wil hem dan gewoon even vertellen dat de jongens zo goed kunnen roeien in de kano samen, dat ze in de ochtend op hun stepjes zelf broodjes gaan halen, dat de jongste zijn waterschoenen per ongeluk heeft laten zinken in het meer en dat ik me eigenlijk best eenzaam en ellendig voel. Want het lijkt alsof hij er nu niet bij kan zijn, maar volgende keer gewoon weer met ons meegaat.

We hebben mijn mans geest wel opgehaald, op de dag van vertrek. We huppelden gedrieën naar zijn graf, namen hem mee en huppelden weer hand in hand terug naar de auto. ‘Er is geen plek meer voor papa!’ riep de jongste terwijl hij bezorgd naar de volgepakte bolide keek. ‘O jawel hoor’, zei ik luchtig. ‘Een geest kan alle vormen aannemen, een beetje zoals Barbapapa.’ Dat stemde gerust. Zo reed ik met een traan op mijn wang naar onze bestemming.

En met een weemoedig gevoel sta ik met de jongens in Duitse bakkerszaakjes koffie te drinken terwijl zij zich tegoed doen aan berliner broodjes. Het was een favoriet ochtendritueel van ons gezin tijdens vakanties in Duitsland of wanneer we op doorreis waren. Dat was nog voor het glutentijdperk. Nadat mijn man de diagnose coeliakie had gekregen deden we dit nog steeds, maar dan nur kaffee voor hem. En daarom doe ik het nu ook alleen met koffie. Om een beetje solidair te zijn met mijn overleden lief.

Slenterend door zo’n gemütlich Duits dorp wens ik dat hij mijn hand even vastpakt. Maar het is mijn oudste zoon die dat doet en hij heeft niet door hoe vreemd dat voor mij voelt. En toch ook weer geruststellend. Alsof mijn man mijn gedachten gehoord heeft.

Wanneer ik aan het meer lig met de jongens en zie hoe zij naar de gezinnen van hun vriendjes trekken, doet dat pijn. De vaders die meespelen in het water, hun kinderen in de lucht gooien…dat is wat ze zo missen, ondanks dat ik met ze zwem, waterfiets en hun zandbouwwerken bewonder. Ik kan ze niet meer dat familiegevoel geven. Mijn oudste zegt vaak dat we geen echt gezin meer zijn. En ik weet wat hij bedoelt. Het is immers niet compleet, ook niet met opgehaalde geest.

Het ergste aan jonge weduwe zijn vind ik dat mijn kinderen opgroeien zonder hun papa. Mijn eigen verdriet is groot, maar m’n hart breekt pas echt in duizend stukjes als ik aan hen denk. Bij geen enkele kleine of grote mijlpaal in hun leven is hij er meer bij. Nooit meer. Mijn oudste zei al vrij snel na het overlijden van zijn vader: “Mam, als ik ooit kinderen krijg hebben ze geen opa. Of maar één. En dat vind ik heel erg.” Ik dacht nog wel dat zij niet vooruit konden kijken en denken. Dat had ik dus mis. Ook op je zevende sta je stil bij je vaderloze toekomst.

Eigenlijk zijn het juist de kleine dingen die mij het meest raken. Zoals ik laatst een vader met zijn zoon in een bootje voorbij zag varen. Een steek ging door mijn hart; ik stond als aan de grond genageld. Dit deed me zo aan mijn man denken met zijn liefde voor zeilen en boten. Hij genoot ervan met onze kinderen in ons sloepje te varen. “Als ik me wat beter voel ga ik een weekend varen en kamperen met de jongens,” zei hij in de zomer van 2017 tegen me. Wat had ik hen alle drie dit uitje, dat nooit heeft kunnen plaatsvinden, gegund.

Door een waas van tranen sta ik aan de waterkant en staar het bootje na. Het glijdt soepel over het kabbelende water. Geheel tegenstrijdig met de woeste draaikolk in mijn hoofd. Ze keuvelen ontspannen, de vader en de zoon. Ik vloek inwendig. Op het oneerlijke leven. Dan loop ik naar huis om mijn oudste naar zeilscouting te brengen. Want de watergenen van zijn vader heeft ie gelukkig geërfd. Dat wel.

Een week na het overlijden van mijn man hoor ik in alle vroegte een ambulance in de straat. Ik verstijf even. Besef dan dat ik dat niet meer hoef. Mijn kinderen zitten veilig aan het ontbijt en mijn man is dood, dus de ambulance is niet voor ons. 

Die middag hoor ik dat een man uit een belendend wijkje plotseling overleden is. Het is een oudere meneer die het wel eens met mijn man aan de stok had. Dan moet je het overigens goed verpest hebben, want mijn man was menslievend en had geen vijanden. Maar de oude buurtgenoot had altijd iets te mopperen. Was het niet over onze hond, dan wel over onze auto’s die we volgens hem niet goed parkeerden. Afijn, een zeurkous die volgens mijn lief overal problemen zag die er niet waren. Ik vertel de jongens dat die brombeer van ‘de overkant’ gestorven is.

“Wat vervelend nou voor papa!” roept de oudste. “Hoezo?” vraag ik. “Was papa eindelijk van hem af en nu komt ie hem misschien toch weer tegen in dodenland.” In gedachten hoor ik mijn man grinniken. En ik doe zachtjes met hem mee.

Sinds mijn man is overleden heb ik pas ontdekt hoe krampachtig wij in Nederland met de dood omgaan. Of eigenlijk met het verdriet dat dit bij nabestaanden teweeg brengt. Het zit blijkbaar in onze natuur dat wij vrienden, familieleden of collega’s niet bedroefd willen zien.

Tranen die moffelen we liever weg. Wij willen mensen opbeuren, iets bemoedigends zeggen. Maar dat kan in dit geval niet. Het komt niet meer goed. Hij is dood. En ik ben verscheurd door verdriet. Het ergste is het niet mogen hebben van dit verdriet, die pijn. Vaak merk ik dat mensen om me heen bewust niet praten over mijn man. Uit machteloosheid, of uit angst wellicht voor mijn emoties. En bang dat zij zich dan geen houding weten te geven. Een huilende vrouw op je schouder is waarschijnlijk ook niet het meest gezellige. Maar soms is het leven niet gezellig. Het zou fijn zijn als dat meer ruimte mocht krijgen. Juist ook als er al (pas!) een jaar of twee voorbij zijn.

Verdriet en wanhoop zijn, hoe gek dat ook klinkt, emoties die me dichter bij hem brengen. En het enige dat ik wil is hem nog een beetje hier bij me houden. Hoe zeer ik ook weet dat het niet kan. Maar juist door over hem te praten en herinneringen op te halen, kan ik hem misschien heel langzaam, een ietsje pietsje los laten.

Voor mij en mijn kinderen is hij er sowieso iedere dag. In onze gedachten, in onze gesprekken en in alles om ons heen dat aan hem doet herinneren. Mensen doen me dan ook meer verdriet met het niet praten over hem dan wel. Het is geen verwijt, slechts een waarneming van onze cultuur, waarin lachen gezond en verdriet maar lastig te accepteren is.

Ik heb sinds kort een composthoop in m’n tuin! Van zo’n rottende hoop zullen velen niet warm of koud worden, maar ik wel. Voor mij is het een mooi experiment om iets mét de natuur voor de natuur te kunnen doen. 

Eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik 10 jaar geleden ook een composthoop ben begonnen. Dat liep uit op een fiasco. Zonder me te verdiepen in wat composteren is, mieterde ik allerlei tuinafval in een kunststof vat. Dat resulteerde in een stinkende natte bende die, begrijp ik nu, meer kwaad dan goed deed. Want composteren is een rottingsproces en wanneer je verkeerd composteert vindt het proces plaats zonder zuurstof, waardoor methaan of lachgas ontstaan. Dat klinkt wellicht grappig maar het zijn beide schadelijke broeikasgassen. Wat ging er fout? Ik gooide teveel groen en te weinig bruinafval op de composthoop. Groenafval is blad, gras en keukenafval. Bruinafval bestaat uit stro en takjes. Die laatste zorgen voor voldoende lucht. O ja, nog een beginnersfoutje, te grote stukken. De vertering duurt dan te lang. Dus niet die complete kerstboom erop! Of het composteren dit keer een succes wordt valt nog te bezien, maar ik doe er m'n stinkende best voor.

Ik loop met de jongste buiten om onze hond uit te laten. Hij plukt een uitgebloeide paardenbloem in het gras. "Als ik alle pluisjes in één keer uitblaas mag ik een wens doen," zegt hij. Dan bedenkelijk: "Maar m’n wens komt toch niet uit hè mam?"

Ik slik. "Nee," zeg ik. Want ik weet maar al te goed wat hij wenst. "Er is wel ooit een wens uitgekomen nadat ik alle pluisjes had weggeblazen," gaat hij verder. "O ja?" "Ja, voordat papa ziek was, wenste ik een keer dat ik het bed van Jip zou krijgen." "Echt?" Vraag ik verrast. Ik wist niet dat hij het bed van zijn broer zo graag wilde. Ik glimlach. Wat ben ik blij dat ik afgelopen schoolvakantie de energie had om de slaapkamers van de jongens onder handen te nemen. Een nieuw bed voor de oudste, een andere indeling, nieuwe vloerkleden en de hoogslaper van de oudste naar de kamer van de jongste. Eerder al hadden we samen een grote dromenvanger met prachtige pauwenveren gekocht. Deze prijkte sindsdien boven zijn ‘nieuwe’ bed om nare dromen weg te houden. Want die had hij na het overlijden van zijn vader veel.

En het helpt. Sinds mijn jongste in zijn hernieuwde onderkomen slaapt, is hij rustiger ’s nachts. Hand in hand lopen we verder. De pluizige bol op stengel in zijn vrije handje geklemd. Het wegblazen van de pluisjes laat hij vandaag achterwege.

Mijn oudste zoon vroeg vandaag aan me: “We zien papa toch wel weer ooit?” “Ja,” zei ik. “Dat denk ik wel. Wanneer wij op een dag doodgaan komen we misschien weer bij elkaar.” “Dan pleeg ik zelfmoord,” zei hij. OMG wat had ik nu weer gezegd!?

Voorzichtig legde ik hem uit dat ik, zijn broertje, al zijn vriendjes, zijn opa’s en oma’s en zijn ooms daar heel verdrietig over zouden zijn. En dat papa zou willen dat hij van het leven geniet, leuke dingen doet, vrienden maakt en in ieder geval probeert om elke dag te lachen. Hij dacht even na, leek het toen wel oké te vinden, want hij zei: “Dan doe ik het niet. Maar mam, over dat lachen. Ik heb jou al heel lang niet meer écht horen lachen.”

“Je hebt gelijk.” Zucht, hoe lukt het die kinderen toch altijd weer je een spiegel voor te houden. "Ik heb niet meer zo veel om over te lachen", zei ik aarzelend. "Maar zullen we samen proberen dat weer vaker te doen?” Hij knikte. We gaven elkaar een knuffel. En ik voelde me schuldig omdat ik dit jongetje op de wereld had gezet die zich, na alle zorgen om zijn vader, nu ook zorgen om zijn moeder maakte.

Contact

Contact maken is de basis van alle communicatie! En contact met leuke mensen is meestal enorm inspirerend. Wil je weten of ik jouw verhaal kan vertellen? Heb je behoefte aan iemand die de kern van je bedrijf zichtbaar maakt? Iemand die goede content kan leveren in de vorm van blogs, persberichten, webteksten, interviews of andere artikelen? Contact me via mail info@verhaalmetpit.nl of bel 06 4040 7139

Tekst- en communicatiebureau Verhaal met Pit
Ivanka Berretty-Eggly
d'Yserinckweg 134
Vijfhuizen